Evangelielezing: Johannes 21: 1-14,
Het laatste hoofdstuk van het Johannesevangelie is waarschijnlijk later toegevoegd.
Daar zijn de meeste theologen het wel over eens.
Toegevoegd vanuit de ervaringen van de jonge christelijke gemeente enkele tientallen jaren na het leven, sterven en opstanding van Jezus.
Een moeilijke tijd voor die eerste christenen.
De tempel in Jeruzalem is verwoest door de Romeinen.
De eerste christenvervolgingen hebben plaatsgevonden.
Wat nu? Hoe nu verder?
In die moeilijke tijd die misschien voelt als een soort vacuüm, leegte, vol onzekerheid.
Dat verklaart misschien dat wat vreemde begin van dit laatste hoofdstuk.
Simon Petrus en enkele andere leerlingen besluiten te gaan vissen, hun oude beroep weer op te pakken.
Terwijl in het hoofdstuk hiervoor is verteld dat Jezus na zijn dood en opstanding aan hen is verschenen.
Tot 2 keer toe.
Jezus groet de leerlingen met vrede en geeft hen de opdracht om het evangelie, de boodschap van Jezus, verder te vertellen.
‘Zoals de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook jullie’.
Dat moeten indrukwekkende ervaringen zijn geweest voor de leerlingen.
Hun Heer, gestorven aan het kruis, die weer als levend in hun midden staat.
En hen een opdracht geeft om zijn werk voort te zetten.
Maar wat doen de leerlingen?
Ze gaan vissen.
In het meer van Tiberias in Galilea.
Waar het ooit begon.
Toen de leerlingen toen nog vissers waren op het meer van Galilea.
Waar Jezus kwam en hen riep om hem te volgen.
Nu, na de ontmoetingen met de Opgestane Jezus, gaan de leerlingen als het ware daar weer naar terug.
Je hebt het mooiste, het wonderlijkste in je leven meegemaakt en wat doe je?
Je gaat weer aan het werk, je gewone dagelijkse werk.
Alsof er niets gebeurd is.
Misschien herkennen we dat.
Dat je iets meemaakt wat je diep raakt, een bijzondere ervaring.
Een ontmoeting of een gesprek, een inspirerende kerkdienst.
Of misschien een periode van ernstige ziekte of verlies waarin alles op scherp komt te staan.
Momenten waarin je voelt: dit is wat echt belangrijk is in het leven, dit is waar het om gaat.
Nu ga ik het allemaal anders doen.
Maar daarna ebt dat weer weg.
Je gaat weer verder.
Het gewone leven, je werk, school wacht, je agenda en mailbox staan vol, verplichtingen roepen.
Voordat je het weet zit je weer in je oude ritme en gewoonten.
Voordat je het weet sta je weer ‘te vissen’, leven zoals je ook daarvoor deed.
Misschien verbeelden de lege netten in ons verhaal die moedeloosheid van niet weten hoe verder.
Zoals het voelen op bepaalde momenten in je leven.
Na tegenslag, verlies, als je het gevoel hebt jezelf en het doel van je leven kwijt te zijn.
Terwijl het gewone leven, of je wilt of niet, toch verder gaat, met z’n dagelijkse bezigheden.
Herkenbaar misschien ook voor ons, nu enkele weken na Pasen en alweer twee eeuwen na het leven van Jezus.
We hebben feestelijk Pasen gevierd, de kleur is nog steeds wit, de feestkleur, kleur van het Licht.
Maar het gewone leven gaat weer verder, waarin er eigenlijk niets is veranderd.
Het journaal brengt nog dezelfde berichten,
in Oekraïne gaat de oorlog met al z’n verwoestingen gewoon verder.
In het Midden-Oosten, Iran, Libanon, lijkt het even rustiger, maar de oorlog en de dreiging, de ellende voor de gewone mensen is nog lang niet voorbij.
En voor de rest van de wereld zullen de economische gevolgen nog lang voelbaar zijn.
En dan is er ook nog Gaza, - we zouden het bijna vergeten, - ook daar wordt de situatie met de dag erger.
De klimaatcrisis, heel het vluchtelingenvraagstuk in ons land en in Europa.
En misschien is er in je eigen persoonlijke leven ziekte, gemis, verdriet, zorgen.
Ook na Pasen niets veranderd.
Ook na Pasen is er niets veranderd.
Voor ons niet, voor de christenen in die eerste eeuwen niet.
En ook de leerlingen van Jezus, na de Opstanding en die wonderlijke verschijningen, weten blijkbaar niet hoe nu verder.
En dan grijp je terug op het oude vertrouwde, omdat het leven toch doorgaat.
En je toch moet eten.
Maar juist in dat gewone vertrouwde, dagelijkse leven, verschijnt Jezus opnieuw.
Als het ochtend is geworden, vertelt het verhaal.
Dat betekent dat de leerlingen gaan vissen als het nacht is.
In Bijbelse taal is dat ook altijd de nacht van vertwijfeling, verdriet, niet weten hoe verder.
Als het donker voelt in je leven.
Een nacht waarin de leerlingen hebben gevist maar niets gevangen.
De netten blijven leeg, ze staan met lege handen.
Tevergeefs je harde werken, je doet je best, probeert er iets van te maken, van je leven, maar het lijkt niets op te leveren.
Dan wordt het ochtend.
In Bijbelse taal altijd een beloftevol moment: licht na het donker.
Er staat iemand op de oever.
Niet opzienbarend zoals eerder Jezus verschijnt door gesloten deuren.
Maar gewoon staand op de oever van het meer.
De leerlingen herkennen Jezus niet.
Soms is God aanwezig in je leven zonder dat je dat voelt, zie je dat pas achteraf.
Stráks zullen de leerlingen Jezus herkennen als hij brood en vis deelt.
‘Hebben jullie iets te eten?’ vraagt de man op de oever.
Dat is geen vraag om vis voor de maaltijd, we horen even verderop dat er al vis op het vuur ligt.
‘Hebben jullie iets te eten?’ is een vraag naar wat hen voedt.
Waar leef je van?
Heb je hoop en vertrouwen, richting, een doel voor je leven?
Als de leerlingen ‘nee’ antwoorden, zo hun leegte en verwarring uitspreken,
zegt Jezus: ‘Gooi het net uit aan de rechterkant van het schip’.
Een onlogische opdracht.
In de boten van toen viste men aan de linkerkant van de boot, rechts zat het roer, als je daar het net uitgooit raakt het in het roer verstrikt en word je stuurloos.
Maar tegen alle logica in doen de leerlingen het en het net is overvol, zoveel vis dat ze het niet in de boot kunnen trekken.
Een andere kant, een andere koers.
Niet terug naar het oude, het vertrouwde, hoe verleidelijk ook als je nog niet weet hoe verder.
Maar dat blijkt niet vruchtbaar, de netten blijven leeg.
De Opgestane staat op de oever als teken dat er een nieuwe weg mogelijk is.
Ook na het donker van de nacht.
Een leven waarin vervulling, volheid te vinden is, nieuwe zin en hoop, als je die nieuwe koers, nieuwe weg durft te gaan.
Dat hoeft niet altijd spectaculair anders.
Al in het begin van het evangelie, bij de roeping van de leerlingen, zegt Jezus dat hij hen vissers van mensen zal maken.
Het getal 153 van het aantal vissen in de netten laat het hier zien.
Dat getal 153 wordt wel gezien als symbolisch getal dat staat voor het aantal volken dat in die tijd bekend was.
Vanaf nu zullen de leerlingen zich richten op de wereld, alle volken.
Om de boodschap van Jezus verder te vertellen.
Opnieuw geroepen tot vissers – van mensen.
Dat zal vanaf nu de inhoud, het doel van hun leven zijn.
Het samen eten van brood en vis verbindt de leerlingen opnieuw met Jezus.
Brood en vis zijn sinds de eerste eeuwen symbool van Jezus en door het delen worden de leerlingen als het ware deel van hem.
Waarbij ook hun vissen van belang zijn: ‘Brengt ook wat van de vis die jullie hebben gevangen’ zegt Jezus, terwijl er al vis op het vuur blijkt te liggen.
Ook hun bijdrage telt mee, doet er toe.
In het samen eten worden ze gevoed, toegerust om Jezus’ leven en werk vanaf nu verder te leven.
Zoals ook wij in de viering van het avondmaal worden gevoed met brood en wijn als teken van Gods liefde.
Om die liefde iedere dag te leven.
Op de Rond de 60 kring deze week hebben we ook over dit verhaal gesproken.
Daar kwam de vraag op waarom de leerlingen Jezus niet durven te vragen wie hij is, terwijl ze wel begrijpen dat hij het is.
Ik denk dat het aangeeft dat geloven niet vooral gebaseerd is op vragen en bewijzen.
Geloven is voor innerlijk weten, gaandeweg ervaren en herkennen.
Meer gaan zien en geloven dan wat je voor ogen ziet.
Ik denk dat het voor de christenen toen in die eerste eeuwen en ook voor ons nu daarom gaat.
Ook als de tijd waarin we leven voelt als een donkere nacht,
misschien in je eigen leven door ziekte of verdriet.
Toch: blijven vertrouwen op de aanwezigheid van de Opgestane, op de oever van ons leven.
Soms duurt het even voordat je dat kunt zien, herken je Gods nabijheid pas achteraf.
In een ontmoeting, een gesprek, aandacht van iemand die even met je oploopt.
Daar waar we het leven met elkaar delen.
Als brood en vis, het leven van Jezus: liefde, aandacht, barmhartigheid.
Als je, tegen alle logica en moedeloosheid in, het net aan de andere kant uitgooit.
Een nieuwe richting waar, wie weet, overvloed van leven te vinden is.
De Opgestane staat op de oever van ons leven.
Vraagt: ‘Waar leef je van?’
Nodigt ons uit: ‘probeer het eens aan een andere kant’, wie weet ontstaat daar iets nieuws, nieuwe hoop, nieuw leven.
Nodigt ons uit om op te staan en te leven van hoop.

