Lezing Oude Testament: 2 Koningen 4: 8 – 37,

Lezen: 2 Koningen 4: 8 – 17, Zingen: Lied 362: 1 en 2

Lezen: 2 Koningen 4: 18 – 30, Zingen: Lied 221: 1 en 2

Lezen: 2 Koningen 4: 31 – 37, Zingen: Lied 221: 3

 

 

Vandaag komen 2 sferen, 2 lijnen, misschien zelfs levenslijnen, levensgevoel en ervaringen bij elkaar, in de teksten en liederen in combinatie met de lezing uit 2 Koningen.

Herfst en Pasen, verval, kwetsbaarheid én toekomst die zich aandient, opstaan.

Dood en doodsheid én leven na, vanuit die doodsheid.

 

Twee lijnen die in en door heel de Bijbel heen aanwezig zijn.

Duisternis en chaos, waaruit Licht en orde, ruimte om te leven wordt geroepen en geschapen.

Slavernij, woestijn, waarin bevrijding, uittocht en doortocht naar beloofd land wordt geschonken.

Dood, doodsheid waarin opstaan, opstanding mogelijk blijkt: leven sterker dan de dood.

 

De teksten over de herfst rond het gebed om ontferming zijn gekozen bij deze tijd van het jaar.

‘Het jaar neigt zich tot stille groet’

Je hoeft maar om je heen te kijken en je ziet het.

Prachtige herfstkleuren en sferen, maar ze wijzen wel op het verval, afsterven in de natuur.

De bladeren die vallen, de korter wordende dagen.

Dat hoeft niet lelijk te zijn, de herfst levert vaak de prachtigste kleuren op.

Maar niet iedereen kan de schoonheid ervan zien en voelen, somberheid of zelfs depressie kan bij je binnensluipen.

En de herfsttijd kan je ook confronteren met verval en achteruitgang in je eigen leven.

Overdrachtelijk spreken we ook van de herfst van iemands leven: verval, van krachten, gezondheid, naar het einde toe leven.

Tijd die, naast moeite, soms toch ook gekleurd wordt door mooie, waardevolle momenten en ontmoetingen.

 

Daarnaast klinken vanmorgen Paasliederen:

Straks na de meditatieve muziek:

‘Voor mensen die naamloos door het leven gaan

 Ontwaakt hier nieuw leven, wordt kracht gegeven, we krijgen een naam’.

En ook ons slotlied is een Paaslied:

‘Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen,

zij gaat in alle nood door heel het leven heen.’

En ook over oogst, de goedheid van God als vruchtbaar zaad.

Deze keuze van Paasliederen komt op vanuit de lezing uit 2 Koningen, over Elisa, de Sunemitische vrouw en haar zoon.

De zoon, niet meer verwacht toch wordt geboren, maar sterft, én komt weer tot het leven komt, opstaat.

Zelfs binnen dat ene verhaal: herfst, en zelfs bittere winterkou, en toch weer nieuw, opgebloeid, beloftevol lenteleven.

 

Twee heel tegengestelde levenservaringen, die toch heel herkenbaar kunnen zijn in je leven, in wat je overkomt of in de seizoenen van het leven.

Groeien en bloeien, geluk en vreugde, maar ook kwetsbaarheid en verval, verlies, donkerheid.

Deze week hebben we in het nieuws schrikbarende voorbeelden ervan kunnen zien en horen, leven, ook jong leven, zo heel plotseling afgebroken.

De tragiek, de dubbelheid van leven en je weg gaan.

In tijden dansend door het leven misschien zelfs, jong, vrolijk, vol toekomstverwachting,

En opeens momenten van noodgedwongen stil moeten staan, stil gezet worden,

zelfs diep vallen, waarbij we alleen maar kunnen hopen voor de nabestaanden toch, eens, ook weer op te kunnen staan.

 

Zo’n levensverhaal is ook het verhaal van de vrouw uit Sunem.

Een levensverhaal waarin de levensseizoenen elkaar afwisselen en opvolgen.

Een rustige winterse tijd zonder al te veel verwachtingen:

De vrouw kinderloos, wat in Bijbels taal betekent: geen toekomst,

een vrouw in goede welstand die zegt niet méer nodig te hebben.

Al kun je je afvragen of haar dringend uitnodigen van de profeet in haar huis toch niet komt vanuit een diep verlangen van binnen, verlangen naar ‘wie weet’………. .

Dan dient zich een verwachtingsvolle lentetijd aan van nieuw opbloeiend leven, vreugde:

na al die jaren een zoon geboren die niet meer verwacht werd, waar ze niet meer op durfden hopen.

Maar dan plotseling een herfststorm en winterse ijzige kou die inslaat.

Waarin toch weer leven kan opstaan en toekomst kan opbloeien.

 

De profeet Elisa is regelmatig te gast is de vrouw uit Sunem, haar naam horen we niet.

Wel dat ze een voorname, welgestelde vrouw is, kinderloos zoals later blijkt.

Elisa wordt steeds gastvrij ontvangen en zelfs wordt er een extra kamer voor hem gemaakt waar hij kan verblijven, met naast een bed zelfs een tafel, stoel en lamp.

Zoveel inrichting was niet gebruikelijk, dus het geeft wel aan hoeveel respect de vrouw voor Elisa heeft.

En met dat ze zo Elisa een plek in haar huis geeft, geeft ze ook een plek in haar leven aan degene die hij vertegenwoordigt, aan God.

Al komt God in heel dit gedeelte alleen zijdelings en indirect te sprake, de vrouw gelooft in God zoals ze verderop ook zelf zal verwoorden.

 

Elisa wil vanwege haar gastvrijheid wat voor haar terugdoen en als zijn knecht Gechazi vertelt dat zij geen kinderen heeft, belooft hij de vrouw een zoon.

‘Vandaag over een jaar zult u een zoon in uw armen houden’.

Het zijn letterlijk dezelfde woorden die God, of de engel van God, spreekt tegen Sara, de vrouw van Abraham, als zij beiden jarenlang tevergeefs op een zoon hebben gehoopt en inmiddels oud zijn geworden.

Een belofte vol toekomst, toen voor Abram en Sara, nu voor deze vrouw uit Sunem.

Deze vrouw die de stem van de profetie herkend heeft, en zich daaraan zo dienstbaar  opstelt, kan, mag niet onvruchtbaar, zonder toekomst blijven.

 

Maar de vrouw is eigenlijk helemaal niet meer bezig met de toekomst.

Ze heeft het goed, leeft in het hier en nu, zonder nog iets te verwachten of te hopen.

En misschien staat ze daarmee symbool voor het volk Israël op dat moment, voor de koning die z’n leven leeft en z’n dagen slijt.

Zoals dat soms gaat: de dagen rijgen zich aaneen, je doet wat je moet doen, zonder nog al te veel van het leven te verwachten.

En liever eigenlijk ook maar alles houden bij wat het is, weten waar je aan toe bent, dan iets nieuws, grotere veranderingen die ook het risico van teleurstelling in zich dragen.

De vrouw uit Sunem weert de belofte van Elisa dan ook af:

‘Spiegelt u me toch niets voor’, letterlijk staat er: ‘lieg niet tegen me’, bedrieg me niet.

Want valse hoop wekken levert alleen maar teleurstelling en verdriet.

Dan liever zonder hoop, zonder verwachtingen.

 

Toch wordt de vrouw wordt zwanger zoals Elisa heeft gezegd, een zoon wordt geboren en het kind groeit op.

Totdat haar angst, angst voor teleurstelling en valse hoop waarmee ze Elisa z’n belofte wilde afhouden,

totdat de angst van iedere ouder, werkelijkheid wordt, haar kind wordt plotseling ziek en sterft op haar schoot.

Je ziet het voor je: de moeder en haar levenloze kind op haar schoot,

zoals het wereldberoemde beeld van Michelangelo, de Pieta, Maria en haar gestorven zoon,  in de Sint-Pieter Basiliek in Vaticaanstad.

Een ontroerend beeld waarin je veel vrouwen en ook mannen zich door de eeuwen heen herkend kunnen hebben.

 

Maar de vrouw legt zich er niet bij neer, geen berusting, blijft niet treuren bij haar zoon.

Ze vertelt het blijkbaar aan niemand, ook niet aan haar man.

Ze heeft de heiligheid van de Godsman herkent, volgt haar hart en gaat naar hem toe.

Hem, en in hem God ‘bestormt ze met haar vragen’, zoals we zongen in lied 221.

‘Heb ik u soms om een zoon gevraagd? Heb ik u niet gezegd dat u geen valse hoop moest wekken?’

Ze protesteert, deze vrouw, deze moeder, met alle kracht en liefde en ook verdriet dat in haar is.

Zoals we dat ook kennen vanuit de psalmen, en zoals dat blijkbaar mag.

Misschien zelfs moet: protest tegen de dood die leven veel te vroeg afbreekt.

Geen berusting, geen ‘god zal er wel een bedoeling mee hebben’, de vraag naar het waarom komt ook helemaal niet aan de orde,

Maar protest, tegen de dood en doodsheid, vóor leven en toekomst.

De vrouw protesteert tegen de dood, tegen de wanhoop, dat de hoop en toekomst haar weer ontnomen is.

Ze weigert de dood en de hopeloosheid, de toekomstloosheid waar ze eerst, kinderloos, nog genoegen mee nam, te accepteren.

 

Ze neemt ook geen genoegen met Elisa z’n knecht Gehazi met de staf van Elisa.

Hijzelf moet meegaan.

En daarmee dwingt ze Elisa tot dezelfde omslag die zij heeft maakt.

Elisa die eerst afstandelijk bleef, als een heilige gast in dat huis, vooral communicerend via zijn knecht Gehazi.

Elisa wordt door de vrouw gedwongen zichzelf in te zetten, zijn roeping als profeet waar te maken, niet alleen voor haar maar ook voor het volk Israël.

In die vastgelopen situatie van het volk Israël moet Elisa als profeet het volk weer roepen om weer op weg te gaan naar toekomst,

om geen genoegen te nemen met het bestaande,

dat het is zoals het is en ook wel zo zal blijven, dat het zo wel prima is.

 

Maar daarvoor zal hij nu ook zelf zich in moeten zetten voor nieuw leven, voor nieuwe toekomst.

Profeet ben je niet alleen met mooie, goede woorden, maar met heel je ziel en lijf en leden.

En zo zet  Elisa zich dan ook in voor het kind.

Met zijn eigen adem, zoals God ooit de eerste mens tot leven wekte,

Mond op mond, ogen op ogen, handen op handen,

met al zijn lichaamsenergie en warmte strekt Elisa zich tot twee keer toe uit over de jongen.

Totdat het kind zeven keer niest, het getal van de dagen van de week, het heilige getal van het volle leven, leven weer in hem terugkeert.

 

Het is de kracht van de liefde van de moeder, zo wordt ze uiteindelijk in de loop van het verhaal genoemd, niet meer ‘vrouw’ maar ‘moeder’.

Het is haar vertrouwen, godsvertrouwen die zich inzet voor leven en toekomst.

Waar ze Elisa in meeneemt en ook hem tot zijn bestemming brengt: profeet van God te zijn om zich in te zetten voor toekomstvol leven van het volk.

 

Leven naar toekomst, dat is geen genoegen nemen met het bestaande, dat het nu eenmaal is zoals het is,

de vrouw heeft het moeten leren, met vallen en opstaan, en door haar ook Elisa.

Dat leven naar toekomst alles te maken heeft met vertrouwen, openheid, risico durven nemen, jezelf durven geven.

Op hoop van zegen.

 

Als mens:        kwetsbaar en weerloos, roepend, tastend, zoekend,

vragend, wachtend en wakend,

hopend en misschien soms maar wankel gelovend.

Maar zo mogen we dragen: zijn naam.

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 11 December om 10:00 uur in

Informatie bij deze dienst:
Derde zondag van Advent

Voorganger: ds. Attie Minnema