Lezing Ruth 1 en Johannes 14: 15-21

 

Afgelopen donderdag, Hemelvaartsdag, was voor het eerst het vervolg van The Passion op televisie, The Passion, Hemelvaart.

Gespeeld in de context van onze tijd, ergens in de Achterhoek.

Eigenlijk ging het niet over de Hemelvaart van Jezus, - hoe zou je dat ook in beeld moeten brengen?

De makers hebben zich gelukkig niet laten verleiden tot een soort ruimtereis met Elon Musk of Jeff Bezos.

Hemelvaart als gebeuren bleef bij een laatste ontmoeting van Jezus met zijn leerlingen en daarbij het afscheid.

 

Het ging eigenlijk vooral over de tijd tussen het sterven van Jezus en het afscheid met Hemelvaart.

En het was een heel menselijk verhaal: van teleurstelling, verlies, rouw,

zoeken naar hoop en inspiratie, en over het zoeken naar verbondenheid en elkaar inspireren om de boodschap van Jezus verder te leven.

De reacties lezend was het voor velen een ontroerend, aansprekend en herkenbaar verhaal.

Herkenbaar in het verdriet om het verlies van een geliefde, een kind.

In spijt en het zoeken naar liefde en verbondenheid.

Het was een heel menselijk verhaal over het gewone leven met alles wat daarin zich voor kan doen.

En als we, als kerk, zoeken naar wat van waarde en aansprekend is, niet alleen maar ook voor jongeren, is dat dan niet waar het over moet gaan?

Over het ‘gewone leven’, en hoe daarin je weg zoeken, ook vanuit de inspiratie van geloof en geloven.

 

Daarom is het mooi dat we de komende zondagen rond Pinksteren het Bijbelboek Ruth lezen.

Ook Ruth is zo’n verhaal, over het ‘gewone leven’.

Het is zelfs de titel van een boek van de theoloog Miskotte uit 1939: ‘Het gewone leven’, met als ondertitel ‘In de spiegel van het boek Ruth’.

Voor Miskotte was, ook als theoloog, het gewone leven belangrijk, hij las naast theologische boeken ook graag en veel literatuur, romans, gewone menselijke verhalen.

Miskotte heeft zijn boek ‘Het gewone leven’ over het Bijbelboek Ruth geschreven tegen de achtergrond van de politieke situatie van de jaren 30, als tegenbeeld tegen de hoogmoedswaanzin van het ‘Germaanse macht en kracht denken’.

 

Voor Miskotte gaat het Bijbelboek Ruth over kwaliteit van leven, hoe het gewone leven te leven.

Over omgaan met wat je overkomt in je leven, overwinnen van bitterheid, over vriendschap, het recht van de armen.

Over menswording, mens-zijn, ook in samenzijn en samenleven.

En daarbij de vraag wat de plaats van God daarin is, en wat geloof in God met dat gewone leven te maken heeft.

In heel het Bijbelboek Ruth komt God niet aan het woord, nergens klinkt: ‘en God zei’,

alleen indirect in de woorden van de personages of van de verteller komt God ter sprake.

 

Het boek Ruth begint als een familiegeschiedenis in de situatie en omstandigheden van de tijd waarin ze leven.

Er is hongersnood, zelfs in Bethlehem, dat ‘huis van brood’ betekent, zelfs daar is geen eten meer.

Een man, Elimelech besluit met zijn gezin, vrouw en twee zonen, op zoek te gaan naar betere leefomstandigheden, een land waar wel brood en toekomst is.

Een verhaal van alle tijden, economische vluchtelingen, mensen die noodgedwongen hun land verlaten en op weg gaan in de hoop een beter leven te vinden, vooral voor hun kinderen.

 

Elimelech en zijn gezin trekken naar Moab, een voor Israëlieten vijandig land.

Een land met een andere taal, andere gewoonten, andere godsdienst.

In de hoop op brood, gaan ze een onzekere toekomst tegemoet, nemen een risico want ze weten niet hoe ze ontvangen zullen worden, of er een gastvrij welkom zal zijn.

Vreemdelingen, gastarbeiders zullen ze zijn, in die tijd een nauwelijks beschermde status.

De nood moet wel heel groot zijn, wil je zo’n risico nemen.

Een verhaal van alle tijden.

 

Dan sterft de man en Noömi blijft achter als weduwe met haar twee zonen.

Die burgeren blijkbaar goed in en trouwen ieder met een Moabitische vrouw, Orpa en Ruth.

Eigenlijk staat het woord ‘trouwen’ er niet, dat komt in heel de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament, niet voor.

De mannen ‘nemen’ een Moabitische vrouw.

Maar dan sterven ook Noömi haar beide zonen, de mannen van Orpa en Ruth.

We lezen niet dat God hierin een rol speelt.

Geen ‘de Heer deed dit gebeuren’ of ‘nam hen tot zich’.     

Het is blijkbaar het lot dat Noömi en ook Orpa en Ruth overkomt.

Geen straf omdat ze Israël hebben verlaten, geen les of beproeving om van te leren, dat staat er allemaal niet.

Geen: “het heeft zo moeten zijn”, of “God zal er wel een bedoeling mee hebben”.

Het gebeurt, zonder reden of verklaring, ook niet achteraf, geen ‘waarom’.

Dingen gebeuren in je leven, mooie en verdrietige gebeurtenissen die je probeert te aanvaarden, ermee te ‘leren leven’ zoals we dat dan zeggen.

Of lelijker: ‘die we een plekje moeten geven’.

 

Als Noömi hoort dat er weer eten in Israël is, besluit ze om terug te keren en haar twee schoondochters gaan met haar mee.

Tot Noömi tegen hen zegt dat ze beter terug kunnen gaan, om in hun eigen land te blijven.

In Israël is voor hen, als vreemdelingen, geen toekomst.

We horen in Noömi haar woorden hoe zijn haar leven ervaart.

‘De Heer heeft zich tegen mij gekeerd’.

Eerst wenst zij haar schoondochters nog alle goeds toe, zegent de beide vrouwen.

Erkent dat zij goed voor haar geweest zijn en hoopt dat God zo goed voor hen zal zijn, zelfs dat ze een nieuwe man zullen vinden.

Maar daarna is het één en al bitterheid bij Noömi: ‘Ik ben te oud voor een man, kan geen zonen meer krijgen, mijn lot is bitter’.

En zo zal ze straks ook zeggen dat haar naam voortaan moet zijn: ‘Mara’, bitter.

‘De ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt’.

En begrijpelijk, wie zou niet bitter zijn na zoveel verlies, haar man en beide zonen.

Teleurgesteld in het leven, teleurgesteld in God, in haar beeld van God.

Haar verdriet, boosheid zoekt een adres

 

Orpa gaat terug naar haar eigen land.

Misschien vinden we dat ze Noömi in de steek laat, de gemakkelijkste weg kiest.

Maar is dat terecht?

Ook Orpa is na het overlijden van haar man voor Noömi blijven zorgen.

Noömi benoemt het in haar zegen voor de béide vrouwen.

Ook Orpa gaat met Noömi mee naar Israël, laat zich in eerste instantie ook niet terugsturen, protesteert net als Ruth,

uiteindelijk neemt ze huilend afscheid.

Het is gemakkelijk om daar een oordeel over te hebben, dat ze Noömi in de steek laat.

Maar in feite is Orpa juist gehoorzaam aan haar schoonmoeder, doet wat zij haar zegt.

Orpa gaat gezegend terug naar háar moeder, zoals Noömi het hen opdraagt.

Een moeilijke keuze die zich voor kan doen, bij wie blijf je, wie blijf je steunen en helpen?
Soms moet je kiezen, wat niet wil zeggen dat de ene keuze beter is dan de andere.

Kiezen voor de één betekent niet afwijzing van de ander.

Je kunt niet alles, niet bij iedereen zijn en iedereen helpen en steunen.

 

Ruth kiest ervoor met Noömi mee te gaan.

Beide vrouwen maken een keuze, vanuit hun hart, en is het dan niet eigenlijk altijd een goede keus?

Op dat moment doen wat jij denkt, voelt dat het goede is om te doen?

Los van het oordeel van anderen daarover.

 

Ruth blijft bij Noömi.

Hoe bitter, depressief Noömi ook is.

Ruth wil het daarin met Noömi uithouden, bij haar blijven.

Moedig als je dat kunt, zonder peptalk “kop op, het zal wel weer beter gaan”, “je hebt mij toch”.

Goed bedoelde maar pijnlijke opmerkingen.

Ruth blijft Noömi trouw, zelfs in haar bitterheid en verdriet.

Ruth doet haar naam eer aan, haar naam die ‘vriendschap of vriendin’ betekent.

Verbindt zich liefdevol en blijvend met Noömi, en met haar volk en haar God:

‘uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God’.

Moedig klinkt het, vol vertrouwen, zelfs geloofsvertrouwen.

Maar hoe zal ze ontvangen worden in een voor haar vreemd land waar ze een vreemdeling zal zijn, uit een vijandig land, vrouw zonder man en kinderen.

Toch, ondanks de onzekerheid kiest Ruth ervoor om bij Noömi te blijven.
En zo gaan ze samen verder, terug naar Bethlehem, bij het begin van de gersteoogst.

De hongersnood, het tekort is voorbij.

In Bethlehem, het broodhuis, is weer brood.

Noömi voelt zich leeg, maar de korenaren zijn vol.

Het verhaal kan weer verder gaan.

 

Zo spiegelt het verhaal van Ruth en ook Noömi hoe leven kan gaan, ons gewone leven.

Met als z’n ups en downs, vreugdevolle gebeurtenissen, maar ook tegenslag, verlies en verdriet.

Waarbij onduidelijk blijft welke rol God daarin heeft.

De schrijver van het boek Ruth is er heel terughoudend in om daar iets over te zeggen.

Blijkbaar is de hand van God in het gewone leven niet zo direct aanwijsbaar.

Hoe graag we misschien soms ook een antwoord of een verklaring of bedoeling zouden willen weten in wat ons overkomt.

Maar daar kunnen en moeten we misschien niet te veel over willen zeggen.

 

Het verhaal van Ruth, en ook van Noömi, gaat misschien wel veel meer over de vraag hoe daarop te reageren, op wat je overkomt in het leven.

Noömi, teleurgesteld in het leven, en ook in God, reageert met bitterheid.

Sterk is ze geweest toen haar man is overleden, het leven ging door, ze moest voor haar beide zonen zorgen.

Maar nu is ze leeg, zegt ze tegen de vrouwen die hen tegemoet komen.

‘Noem me niet meer Noömi, de liefelijke, maar Mara: want bitterheid heeft de Heer mij gegeven, met lege handen ben ik teruggekomen’.

Terwijl toch Ruth, als een dochter en vriendin, bij haar is.

Maar zo vast zit Noömi in haar bittere verdriet dat ze geen oog heeft voor Ruth die met haar mee teruggekomen is.

 

Ruth, ook met verdriet vanwege het verlies van haar man, kinderloos,

Ruth, die toch de kracht vindt om vanuit haar liefde voor Noömi trouw te blijven.

Het neemt het verdriet en de bitterheid van Noömi niet weg,

maar ze is daarin niet alleen.

En misschien mag je zeggen dat we daarin toch iets kunnen zien van de aanwezigheid van God, ook voor Noömi.

In de vriendschap, de liefde en trouw die mensen aan elkaar kunnen geven.

Ruth blijft bij Noömi en gaat met haar mee.

Zo gaat God met haar, met hen mee.

Is God aanwezig,

in de liefde en trouw die wij, in ons heel gewone leven, aan elkaar kunnen geven.

Waarin misschien dan toch weer hoop en toekomst kan groeien. 

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 14 Augustus om 10:00 uur in

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: ds. Attie Minnema