Thema dienst Zegenen
- Gegevens
Laatst bijgewerkt op dinsdag 17 februari 2009 20:38
Een mooie nieuw jaarswens vind ik dat: heil: heelheid en zegen.
Wij Friezen zeggen het ook mooi, maar toch iets minder: Folle lok en seine: Geluk en zegen.
Zo hebben vele wensen geklonken de afgelopen dagen in het nieuwe jaar: heil en zegen, of ‘de beste wensen, gelukkig nieuwjaar’, of las ik ergens modern snel: veel succes in tweeduizendzes.
Het mag deze dagen nog, daar schijnen ook al weer regels voor te zijn, hoelang je nog nieuwjaar mag wensen.
En daarna houden we er dan blijkbaar weer mee op, met elkaar het goede te wensen, met elkaar te zegenen, want dat doe je eigenlijk als je zegt: veel heil en zegen.
Hoewel je misschien ook weer zou kunnen zeggen dat je dat eigenlijk steeds doet, ‘zegenen’, elke keer als je elkaar groet, als je elkaar een goede dag wenst, of goede nacht.
We staan daar natuurlijk lang niet altijd bij stil, soms groeten we elkaar zelfs gedachteloos, maar eigenlijk wens je in een groet elkaar iets goeds toe, dat je dag goed mag zijn, dat de nachtrust je goed doet, dat je daarin behouden zult worden en weer goed op kunt staan.
In andere talen om ons heen is dat ‘zegenen’ in de groet meer bewaard gebleven:
Good-bye, eigenlijk zeg je dan : God be with you. Of: God bless you.
Grüss Gott, of: Adieu, A Dios : Aan, tot God, in Gods hoede beveel ik je.
Sjaloom: vrede voor jou.
Ook in de bijbelse grondtekst staat vaak zegenen waar het in onze vertaling vertaald wordt met groeten of afscheid nemen.
Maar soms kun je de zegengroet nog herkennen, als Boaz op het veld komt waar Ruth aan het aren zoeken is, groet hij zijn maaiers met: ‘De Heer zij met jullie’ en ze groeten hem terug met: “De Heer zegene u’.
Een hele normale groet blijkbaar, zoals het ook heel gewoon was dat ouders hun kinderen zegenen, we zien het bijvoorbeeld bij Isaäk die Jakob zegent in plaats van Esau, Jozef die zijn zonen zegent, de Pater Familias die Gods levenskracht doorgeeft aan de volgende generatie, met name aan de eerstgeborene en daarmee werd ook het familiebezit doorgegeven.
En in het evangelie is het natuurlijk Jezus die de kinderen zegent en bij de maaltijd de zegen uitspreekt.
Paulus eindigt z’n brieven vaak met een zegenende groet, zoals in 2 Korinthiërs 13 het laatste vers dat wij tot een liturgische zegenformule hebben gemaakt.
Maar zo bijzonder bedoelde Paulus het eigenlijk helemaal niet.
Het zijn gewone groeten en een gewone zegen die Paulus hier wil overbrengen, zo was het zijn gewoonte.
In de bijbel is zegenen vooral heel gewoon, dagelijkse praktijk.
Wij hebben dergelijke formuleringen als van Boaz en Paulus verheven en misschien wel té bijzonder gemaakt door het tot liturgische formuleringen alleen in onze vieringen te maken, maar zou het niet prachtig zijn als we elkaar ook in het gewone ontmoeten op een dergelijke manier zouden begroeten.
Volgens de kerkorde van de Protestantse Kerk is het uitspreken van de zegen voorbehouden aan de predikant.
Dat is eigenlijk jammer, want het past niet echt bij de ambtsopvatting van de Reformatie.
Die ging immers uitgaat van het algemeen priesterschap van ?lle gelovigen.
Elkaar in Gods hoede aanbevelen is iets dat ?lle gelovigen zou mogen worden toevertrouwd.
Daarom is het misschien toch ook wel mooi om aan het einde van een viering elkaar wat vaker Gods zegen toe te zingen of te zeggen.
In de Bijbel is zegenen nauw verbonden met God, mensen bidden om Gods zegen of bemiddelen Gods zegen.
In de bekende Aäronitisch zegen ‘De Here zegene u en behoedde u’, is het duidelijk dat de priester namens God de zegen uitspreekt: ‘De Hére zegene u’, als zij in de zegen Gods Naam op het volk leggen, zal God het volk zegenen.
Om dat te laten zien hieven de priesters en ook Jezus bij zijn afscheid op de berg de handen als ze de zegen uitspreken.
En zo nu ook de dominee bij de groet en aan het einde van de dienst: ten teken dat de zegen van God op ons gelegd wordt.
Mensen kunnen om Gods zegen bidden, elkaar Gods zegen toewensen, maar wij kunnen niet over Gods zegen beschikken, het is God zelf die zegent.
Naast God als Schepper, Bevrijder en Redder, is God aanwezig in het leven, de Nabije, zoals zijn naam betekent: Ik zal er zijn.
Aanwezigheid van God als een kracht die het goede in ons leven wil bewerken, de weg van ons leven goed wil laten zijn.
De Aäronitische zegen laat zien wat Gods zegen inhoudt: behoeden, dat is: geborgenheid bieden, God die zijn Aangezicht over ons doet lichten, over ons leven opgaat als de zon om steeds weer het duister te verdrijven, die ons genadig is, wil vergeven,
en die ons in liefde in het oog houdt en ons vrede in gerechtigheid wil geven.
Als wij elkaar dan Gods zegen toewensen, hoe of waar dan ook, of Gods zegen met elkaar ontvangen en vieren, dan kan en mag dat natuurlijk nooit vrijblijvend zijn, dan vraagt dat ook van ons om zo ook met elkaar om te gaan.
En andersom mag je, denk ik, ook zeggen, waar mensen zo met elkaar willen omgaan en samen leven, elkaar geborgenheid bieden, elkaar in liefde in het oog houden en aan vrede willen werken, dat God daar zijn zegen geeft.
Zoals Psalm 133 het zegt ‘Hoe goed is het als broeders – en zusters – bijeen te wonen. Daar geeft de Heer zijn zegen: leven voor altijd’.
Of met een oude spreuk: waar liefde woont gebiedt de Heer zijn zegen.
Met name in het eerste begin van het Oude Testament is de zegen van God erg verbonden met voorspoed: dat je bezit groeit en bloeit, zegen betekent: vruchtbaarheid van de velden, rijk nakomelingschap, een grote veestapel, welstand, aanzien: sjaloom, vrede.
Heel concreet wordt de zegen ingevuld: een rijk gevulde vijgenboom, doorhangende wijnstok, belegen wijnen, geurig schapenvlees.
De belofte van gezegend te wonen in het land van belofte geeft het volk Israël de kracht om het in de woestijn vol te houden.
Vanaf Abraham zien we hoe de zegen van God ook een groter perspectief krijgt:
in de zoon en het nageslacht dat zegenrijk aan Abraham wordt beloofd, zal heel de mensheid in Gods zegen en in Gods heil delen.
En als Jezus zijn discipelen zegent en uitzendt horen we hoe die zegen zal uitwerken tot in de huizen en harten van mensen, tot aan de einden van de aarde.
En zelfs, in Christus, tot over de grenzen van de dood.
De zegen komt van God, maar de bijbel vertelt ons ook dat dat geen eenzijdige, vrijblijvende gave is.
De zegen van God veronderstelt dat we ons houden aan zijn verbond.
Deuteronomium 30 zegt het zonder omwegen: je kunt kiezen: leven of dood, zegen of vloek.
God houdt zijn verbond met Israël door het te zegenen, omgekeerd eist dat van het volk trouw aan het verbond.
Wie zich houdt aan Gods Verbond, wie God liefheeft en zijn geboden houdt,die zal gezegend worden.
Om zo zelf ook weer tot zegen te zijn voor anderen.
Van Job wordt verteld hoe hij overvloedig gezegend is met rijkdom, maar ook hoe hij tot zegen is voor armen, wezen, blinden en lammen, hen helpt en voor hen opkomt.
Zo is het eigenlijk een voortdurend heen en weer gaan van zegen, waarbij wij zelfs ook God kunnen zegenen.
We hebben het ook gezongen in Gez. 400: ‘Geloofd, gezegend zijt Gij Heer’, en ook in vele psalmen wordt God gezegend: ‘Zegen, mijn ziel, de grote naam des Heren’.
Zoals wij in het tafelgebed bij de avondmaalsviering vaak beginnen met ‘Gezegend bent U, God,’ als schenker van goede gaven die we in het tafelgebed daarna benoemen.
De beker der dankzegging wordt ook wel beker der zegening genoemd.
Kunnen wij dat dan ook? God zegenen. Jazeker.
God zegenen klinkt veel in de bijbelse teksten als uiting van dankbaarheid, als het grootmaken van God en zijn weldaden voor mensen.
Vaak wordt het vertaald met God loven of prijzen, maar ook dan heeft het de grondbetekenis van God zegenen.
Ook daarin is zegenen wederkerig: de zegen die God aan mensen schenkt, brengt mensen er toe God te zegenen.
In onze kerkelijke traditie klinkt de zegen vooral ook op belangrijke momenten, op kruispunten in het leven.
Bij de doop, bij belijdenis en huwelijk, bij bevestiging van ambtsdragers of andere medewerkers in de kerk, maar ook bij ziekte en het naderende sterven.
Wat is dat dan, zegenen?
Kort gezegd: in de zegen mag je de kracht van God ontvangen om te doen wat voor je ligt, om waar te maken de taak of opdracht die je hebt gekregen of jezelf hebt gegeven,
om waar te maken de weg die voor je ligt.
Daarbij moet je natuurlijk ook onmiddellijk zeggen dat Gods zegen geen garantie is voor een goed resultaat of voor succes, uiteindelijk zul je het als mens zelf moeten waarmaken, maar daartoe wil God je in ieder geval zijn kracht schenken.
Je krijgt heel tastbaar de handen opgelegd en ontvangt de zegen van God als teken dat God daarin nabij wil zijn en mee wil gaan.
Dat je je weg niet alleen hoeft te gaan, maar mag vertrouwen op de nabijheid en kracht van God daarin.
Aan het begin van een pasgeboren mensenleven, op de weg die twee mensen samen willen gaan, in het belijden van en kiezen voor het geloof in God of het aanvaarden van een taak in de kerk, en zo zou je nog meer momenten kunnen bedenken, mag die zegen klinken.
Als bemoediging, hoop en vertrouwen om het op de weg of in de taak die voor je ligt, vol te houden, als het goed gaat én als het moeilijk is, in voor- en tegenspoed.
Gezegend worden mogen mensen die in verbondenheid met God hun weg willen gaan,
die zich laten aanspreken door de oproep van God om ons leven meer te laten zijn dan het gewone, om ons leven te leven in Zijn Licht, werkend aan een goede toekomst.
Levend in liefde en trouw, zich inzettend voor heelheid, vrede en gerechtigheid om zo tot zegen te zijn voor anderen.
Nog twee punten van aandacht.
Mensen worden gezegend in de weg die voor hen ligt, alleen of samen, als gemeente.
In de protestantse traditie zegenen we geen dingen, zoals de katholieken wel kennen.
We zegenen geen huizen, of auto’s of dieren of wapens.
Ik las ergens het voorbeeld van een soldaat die de oorlog in moet gaan of de opdracht krijgt een vuurpeloton te vormen, en bij weigering zelf dreigt gedood te worden.
Misschien ben je als pastor het helemaal niet eens met de weg die deze soldaat zal gaan, met wat hij zal gaan doen, maar dat doet er eigenlijk niet toe, zegenen betekent ook niet goedkeuren van wat iemand gaat doen, niet de oorlogshandeling wordt gezegend.
Maar wel die soldaat, die mens, mag gezegend worden opdat hij wijsheid en kracht vindt om er zijn weg in te gaan.
Niet zegenen zou betekenen dat God zijn handen van hem aftrekt, en kan dat?
Gods zegen gaat toch ook met ons mee in de diepte en ellende van deze wereld?
Mensen worden gezegend, in die zin zegenen we ook geen huwelijk.
Ook dat is weer een verschil met de katholieke kerk waar het huwelijk een sacrament is en een huwelijk pas geaccepteerd wordt als het kerkelijk ingezegend is.
In de Reformatie heeft men dat altijd anders gezien.
Het burgerlijke huwelijk is een juridische aangelegenheid tussen individuen en overheid.
De kerk speelt daar geen rol in.
Eigenlijk was het daarom ook niet terecht dat altijd is gesproken over inzegening of bevestiging van een huwelijk.
Dat klinkt alsof de kerk toch nog iets zou moeten bevestigen dat mensen en overheid besloten hebben, alsof de kerk het burgerlijke huwelijk nog zou moeten goedkeuren, alsof het dan pas goed is, geldig is.
Volgens de grote Van Dale is inzegenen: ‘door het verlenen van een zegen inwijden, heiligen.
Dus: door de handeling van zegen geschikt maken voor en in gebruik nemen.
Zoals je schoenen moet inlopen of een auto moet inrijden, zoals je een nieuw begin inluidt, of iemand inwerkt.
Alsof het dan pas geschikt en bruikbaar en dus goed is.
In het Latijn bestaan voor zegenen en inzegenen ook verschillende woorden.
Inzegenen is consecratio, daarvan spreek je bijvoorbeeld bij wijding van een geestelijke, monnik of non, waarbij het niet in de eerste plaats gaat om het zegenen, maar om de inwijding.
Die man of vrouw ontvangt een nieuwe status, gaat als het ware een contract aan, wordt deel van een instituut, het klooster, en daarb?j, bij die stap wordt een zegen wordt uitgesproken.
Zegenen is in het latijn: benedictio, letterlijk: goed spreken, goede woorden spreken.
In het zegenen van de ander wens je hem, haar, hen het goede toe, het goede van God.
Dat is wat wij in de kerk doen als we zegenen, een mens, mensen het goede van God toe wensen op de weg die voor hen ligt, die zij kiezen te gaan.
Als afsluiting een Ierse reiszegen, een andere dan we straks aan het einde van de viering elkaar zullen toezingen:
Moge de weg voor u een begaanbaar pad zijn,
Moge de wind u steeds in de rug waaien,
moge de zon met zijn warmte u in het gezicht schijnen,
en de regen op milde wijze uw velden besproeien,
en moge God u, tot wij elkaar opnieuw ontmoeten,
bewaren in de palm van zijn hand.
May the road rise to meet you
may the wind be allways at your back
may the sun shine warm upon your face
the rain fall soft upon your fields
and untill we meet again
may God hold you in the palm of his hands
Wie zou je dat niet toewensen?
Amen

