Thema dienst Waarom lijden?
- Gegevens
Laatst bijgewerkt op dinsdag 17 februari 2009 21:07
Schriftlezing Oude Testament Job 1-2:10,
Gez. 29, een bewerking is van het gebed van koning Hizkia die ziek is en de boodschap heeft gekregen dat hij zal gaan sterven. Hij bidt tot God en krijgt antwoord: nog 15 jaar zal hij leven. De verzen verwoorden het gebed van Hizkia na de ongeluksboodschap van zijn dood.
Gez. 29
1.
Gij die 't menselijke leven
hebt gewild, waarom hebt Gij
het ten dode opgeschreven,
waarom gaat het snel voorbij?
Wenst Gij, dat we ons nederleggen
zonder vragen of verweer?
Zijn die ons de dood aanzeggen
wel uw engelen, o Heer?
2
Laat het toch geen avond worden
op het midden van de dag!
Wat is leven, dat verdorde
voordat men er vrucht van zag?
Kan uw heerlijkheid bewijzen
bloesem die de wind verwoei?
Hoe zou U mijn leven prijzen,
als Gij 't afsnijdt in zijn bloei?
4
Onverhoeds is mij ontnomen
't veilig huis van mijn bestaan;
ach, ik moet tot in mijn dromen
't roofdier van mijn angst weerstaan.
En ik klaag, zoals een vogel
klaagt om zijn verstoorde nest.
Naakt ben ik, en naar den hoge
schreeuwt wat er van mij nog rest.
5
Was 't vergeefs dan, dat ik leefde,
Here God? - zo roep ik luid.
Wever, die mijn leven weefde,
haalt Gij zo uw werk weer uit?
Nog één nacht, tot aan de morgen,
dan is het met mij gedaan;
nergens ben ik meer geborgen, -
Here, wees met mij begaan!
6
- Zo heb ik om U gestreden,
en Gij hebt tot mij gezegd:
leef dan, mens, Ik geef u heden
't leven als een heilig recht!
Dat Gij het niet af woudt snijden
voor het rijpte tot uw eer, -
daarin mag ik mij verblijden,
dat is 't leven zelf, o Heer!
Gemeente van Jezus Christus,
Gij die't menselijke leven hebt gewild waarom hebt Gij
het ten dode opgeschreven, waarom gaat het snel voorbij?
Wenst Gij, dat w'ons nederleggen zonder vragen of verweer?
zijn die ons de dood aanzeggen wel uw engelen, o Heer?
Gezang 29, een indrukwekkend lied, gezongen vanuit het verlies van leven. Vanuit de dreiging van dood.
Je kunt je voorstellen dat iemand in een situatie als die van Job dit lied zingt. Iemand die weet van verliezen, dat het 'avond wordt, op't midden van de dag'. Die weet van naderend einde, te jong 'leven afgesneden in zijn bloei'. Al je zekerheden en vanzelfsprekendheden uit handen geslagen. 'Onverhoeds ontnomen, 't veilig huis van je bestaan.'
Voor wie daarop God aan wil spreken kan dit lied de woorden geven. Voor wie daarin wil zoeken wat God daar mee te maken heeft. En hoe daarin als gelovige staande te blijven.
Job zingt dit lied niet, n?g niet. Straks zal het misschien ook zijn lied worden, als vanaf hoofdstuk 3 zijn klacht klinkt.
Nu in deze eerste hoofdstukken lijkt Job nog spreekwoordelijk vroom en geduldig als Job te zijn. Gezang 29 ? ook niet z?jn lied. Het is een bewerking van het gebed van koning Hizkia.
Koning Hizkia heeft op zijn ziekbed gehoord dat hij zal gaan sterven.
Maar hij legt zich daar niet bij neer en bidt tot God.
En het gebed van de doodzieke wordt beantwoord: God schenkt Hizkia nog 15 jaar te leven.
De dichter Ad den Besten heeft die ervaring van Hizkia bewerkt tot een indrukwekkend lied dat herkenbaar kan zijn voor wie met ernstige ziekte of dood te maken heeft.
Die herkenbaarheid ligt dan waarschijnlijk vooral in de vragen en klachten die klinken.
Want het is eerlijk om te zeggen dat er ook elementen in het lied zitten die velen van ons niet meer zo na kunnen zeggen.
Het beeld van een God die beproeft, die niet alleen leven geeft maar ook neemt: 'Wever die mijn leven weefde, haalt Gij zo uw werk weer uit?', vers 5.
Het Godsbeeld van Hizkia en ook van Job, is een godsbeeld waar in onze tijd velen vragen bij hebben. Job verwoordt het in het begin van zijn boek nog als 'De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen'. Een vrome, gelovige uitspraak die je af en toe nog tegenkomt rond dood en rouw, waar mensen troost uit putten.
Maar velen willen het zo niet meer zeggen, kunnen het zo niet meer zien of geloven. "Hoe kan dan nou, als God liefde is, als God het goede wil?". Veel meer wordt de menselijke inbreng en de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid een plaats gegeven.
Wordt ongeluk of tegenslag gezien als iets wat je 'zomaar' overkomt, zonder reden, zonder bedoeling, lang niet altijd eerlijk of verdiend. En wordt God gezien als een God die meelijdt en draagt, die nabij is in het leed. Maar die niet, zoals zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus het zegt, regen en droogte, gezondheid en ziekte ons uit zijn hand doet toekomen.
Het is een verandering in godsbeeld dat geloven niet altijd gemakkelijker maakt.
Want de vragen blijven staan, ook als de antwoorden van vroeger niet meer voldoen.
Het beeld van God, het denken over God, kan veranderen door de tijd heen, door de ervaring heen. We zien het al binnen het bestek van de bijbel zelf. Hoe ook Israël worstelt met de vraag van God en het kwaad.
In het begin van het oude testament lijkt het kwaad nog direct bij God te vandaan te komen.
God die de zondvloed laten komen, het 40 dagen en 40 nachten laat regenen om alles, mensen en dieren van de aardboden te doen verdelgen.
Hier bij Job is het kwaad in de persoon van satan zelfstandig naast God maar hoort nog wel binnen Gods bereik, satan wordt genoemd bij de zonen Gods.
Maar later in het oude testament en ook in het nieuwe testament zien we hoe God tegenover het kwaad staat. Het kwaad tot vijand wordt, bestreden wordt. We zien het waar Jezus ziekte geneest en kwade geesten uitwerpt. Zo komt door de bijbel heen steeds meer de nadruk te liggen op God als een God van liefde, van heelheid en toekomst.
Het beeld van God verandert door de tijd, door de eeuwen heen. Door de ontwikkeling van de kennis van natuur en wereldbeeld. Door ervaringen die mensen opdoen in het leven en aan elkaar doorgeven. Zoals het verandert van je eigen kinderlijke beeld van de God van vroeger tot een meer volwassen, maar nog lang niet af, beeld van God nu.
Nog lang niet af, want God is immers altijd meer en groter dan wij kunnen denken.
Beelden van God veranderen en kunnen verschillen. Omdat mensen verschillend zijn.
Omdat mensen verschillend omgaan met de ervaringen in hun leven.
Maar dat hoeft de verbondenheid en het gesprek niet te verbreken. Als we voorbij de verschillen durven te zoeken naar persoonlijke vragen en ervaringen en die met elkaar willen delen. En als in het gesprek daarover de herkenning ontstaat, dan kun je het van elkaar hebben als de één andere woorden kiest voor wie God voor hem of haar is. Als de ander vast wil houden aan een beeld van God dat voor jou misschien vreemd is of is geworden.
Als je open en eerlijk en persoonlijk met elkaar wilt delen wat jou raakt en beweegt, wat jou draagt en gaande houdt. En als je samen wilt erkennen dat, welke woorden en beelden ons ook eigen en dierbaar zijn, dat ze hun beperktheid hebben.
Omdat God altijd anders en groter is dan wij kunnen denken.
Wie zo de eigen ervaringen en gevoelens een plaats wil geven kan een lied als gezang 29 diep raken, vanwege de herkenning. Ook al is het godsbeeld van koning Hizkia ons misschien vreemd geworden. Dan kan het verhaal van Job boeien ook al komt het kader van het gesprek tussen God en satan ons voor als het begin van een sprookje. En kan het de moeite waard zijn om te kijken wie Job is, als mens en als gelovige, hoe hij staande blijft in alles wat hem overkomt.
Job is een vroom en godvrezend man, spreekwoordelijk is het geworden: zo vroom als Job.
En hij is ook rijk, heel rijk. En dat is de aanleiding tot het gesprek tussen God en satan.
De wijsheid van die tijd legde een direct verband tussen vroomheid en voorspoed.
Wie vroom is en godvrezend, die zal het goed gaan en leven in voorspoed.
Maar de duivelse stem in gesprek met God draait het om: is Job niet zo vroom omd?t het hem goed gaat? Is het niet uit eigenbelang en egoïsme dat hij zo godvrezend is?
En misschien is die vraag wel terecht. Misschien klinkt hier ten diepste wel Job's eigen vraag of zelfs Gods vraag?
Die vraag kun je uit zorg stellen, omdat het je ter harte gaat. Zo niet bij satan, het duivelse stelt dergelijke vragen alleen om te schaden, om ten val te brengen. En tot twee keer toe geeft God de satan toestemming om Job's geloof te beproeven met tegenslag en ongeluk.
Daarmee is de scène in de hemel dan ook meteen ten einde. Komt ook niet terug in de latere hoofdstukken of aan het slot van het boek. Is niet belangrijk meer, die hele beginscène is alleen maar bij wijze van spreken.
Want het gaat in het boek Job niet om de vraag waar het lijden vandaan komt. Of het bij God vandaan komt of dat God de boze ruimte zou geven om kwaad te doen. Het gaat hier niet om een verklaring te geven waar het ongeluk van Job vandaan komt. Of een theologisch concept te leveren voor het antwoord op de vraag naar het kwaad in de wereld.
Die vraag is misschien voor ons wel nooit te beantwoorden, maar daar gaat het ook niet om in dit bijbelboek Job. Niet om de vraag naar de oorsprong of de zin van het kwaad.
Het boek Job gaat over de verhouding tussen God en de mens. Hoe je als mens staande kunt blijven in het ongeluk en de tegenslag die je overkomt. Of en hoe je daarin aan God en je geloof in God vast kunt houden.
Laten we tot onze troost en bemoediging maar vast weten d?t Job aan God vast zal houden.
Maar dat we aan het einde van het boek een andere Job zullen zien dan hier in hoofdstuk 1, ook dat is een feit. En daarvan zien we in deze eerste verzen van vanmorgen al de tekenen.
Allereerst wordt Job ons getekend als een vroom man, godvrezend. Uitvoerig wordt verteld hoe Job elke keer als zijn kinderen een feest geven, hen bij zich roept en hen heiligt.
En voor ieder van hen een brandoffer brengt. Want misschien hebben ze in het feestgewoel wel gezondigd, en zelfs God vaarwel gezegd. Bewonderenswaardig, die ouderlijke bezorgdheid, om al een offer te brengen, vergeving te vragen voor een m?gelijke zonde.
Zo deed Job steeds weer.
Bewonderenswaardig, maar het heeft ook iets krampachtigs. Job wil perfect zijn, Job wil alles, het leven en het geloof van heel zijn gezin in handen houden.
Regelen, in goede banen leiden, alle voorwaarden in orde laten zijn. De juiste omstandigheden, rituelen, woorden, het lijkt alsof ze dienen ter bezwering. Alsof de zekerheid van Jobs leven daarin ligt, in plaats van in hemzelf. Vasthouden aan de traditionele woorden en gewoonten, vroom en trouw is Job daarin, laten we daar niet aan twijfelen.
Maar hoe eigen is het geloof voor Job, hoe houdbaar zijn de hem overgeleverde woorden en gewoonten?
Het kan niet anders dat je geloof begint met de woorden en gewoonten die je aangeleerd worden, van huis uit, op school, in de kerk. En soms kun je het daar een leven lang mee volhouden. Maar het kan ook dat vanuit je persoonlijke ervaringen vragen worden gesteld aan dat wat je geleerd is. Blijkt het nodig te zijn om door die vragen heen nieuwe woorden en beelden te zoeken om jou persoonlijke geloof en ervaring met God uit te drukken.
Om je dat geloof-van-huis-uit-meegekregen werkelijk eigen te kunnen maken. Zodat het houdbaar is voor je leven, waarheid wordt voor j?u.
En misschien is dat wel anders dan je vroeger hebt geleerd.
Bij Job wordt het hem geleerde geloof op een pijnlijke manier beproefd. Het is een vrome uitspraak die Job doet na de eerste reeks tegenslagen. Zo zegt de wijsheid van zijn tijd het: 'De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen'. Maar z? zal Job het straks niet meer zeggen.
Hier klinkt nog uit de mond van Job de vertrouwde Godsnaam, (JHWH) Adonai, Ik ben die ben- Ik-ben-met-jou, de Bondgenoot. Zo heeft Job God leren kennen vanuit de geschiedenis van het volk Israël. Zo is God aan Job overgeleverd, doorverteld. Misschien moet je, een beetje oneerbiedig zeggen, zo is het Job geleerd, in theorie.
Niet dat het daarom minder oprecht is, minder vroom of eerlijk.
Maar nu, nu Job de ene rampspoed na de andere overkomt, tot lijfelijk dicht op zijn huid, nu zal blijken hoe eigen deze God voor Job is. Hoe houdbaar zijn geloof in die God is.
En dan zien we dat er wat afstand komt, aarzeling.
In de laatste verzen van vanmorgen vinden we niet meer die zekerheid van: 'De Heer heeft gegeven en de Heer heeft genomen'. Jobs zekerheid is tot vraag geworden en de bondgenoot God is op afstand komen te staan: 'Zouden wij het goede van God aannemen en niet het kwade?' Een vraag horen we nu. En de naam des Heren (JHWH) 'Adonai' klinkt niet meer.
Nog maar heel af en toe zal die naam nog klinken in het vervolg van het boek Job.
Maar vanaf nu klinkt het veel algemener: 'Elohiem', God, zelfs mag je het vertalen met: godheid.
Op dit moment, in het diepste van zijn lijden, kan Job God niet meer als de nabije Bondgenoot herkennen zoals het hem altijd geleerd is. Die God is voor hem meer vreemd geworden, op afstand, en naar die God zal vanaf hoofdstuk 3 de klacht van Job klinken.
Om daarna, na de klacht, opnieuw God als Bondgenoot, (JHWH) Adonai, terug te vinden.
Als Job vanuit zichzelf, door zijn ervaring, zijn pijn en klachten heen, heeft ontdekt wie God werkelijk daarin voor hem kan zijn.
Het verhaal van Job staat niet op zichzelf. Het staat voor het volk Israël, als volk van God vele malen beproefd door lijden, tegenslag en vervolging. Soms had het volk het aan zichzelf te danken, soms leek het kwaad van God te komen, soms kwam het zomaar.
Wat de bijbelverhalen ons daarin laten zien is dat het daarbij niet in de eerste plaats gaat om de vraag naar het 'waarom' van het kwaad. Maar getekend en beschreven wordt hoe het volk Israël juist daarin, in de tegenslag, steeds meer ontdekt wie God is. Wie God voor het volk is.
Ik denk dat het samen gaat: steeds meer jezelf leren kennen en steeds meer God voor jou leren kennen.
Het verhaal van Job kan ook staan voor iedere gelovige persoonlijk. Voor wie het aandurft in het geloof de eigen ervaringen en gevoelens te laten meespreken. Voor wie vanuit de eigen ervaring het gesprek aan wil gaan met dat wat je van oudsher is geleerd.
Voor wie de woorden en gebruiken van het geloof durft te toetsen op hun houdbaarheid en waarheid. Om dat wat waar is, voor jou waar kan zijn, je dan ook werkelijk eigen te maken als de grond om op en uit te leven.
Dat kan een moeilijke, levenslange, leerschool zijn, van veel vragen en twijfel misschien.
We zien dat het eerste vers van gezang 29 ook alleen maar uit vragen bestaat. Blijkbaar mag dat voor wie godvrezend is: vragen en klagen. Van vragen wordt je wijs. Want in vragen kom je dichter tot jezelf en zo tot God. Dichter tot God en zo tot jezelf.
In het laatste hoofdstuk van het boek Job klinkt het antwoord van God.
Na al die hoofdstukken klinkt hier weer de vertrouwde Godsnaam, (JHWH), Adonai, Ik ben Erbij, God de Bondgenoot.
God antwoordt Job, maar het is geen antwoord op alle vragen en klachten van Job.
God legt niet uit hoe het precies allemaal in elkaar zit en het waarom daarvan, tekent geen logisch systeem zoals de vrienden van Job voortdurend probeerden te doen in hun redeneringen. God beschrijft de geweldige natuur waarvan Hij de Schepper is, en Zichzelf als Bondgenoot van de mens daarin. Bondgenoot tegen de dreigende zee, tegen alles waarin de mens verdrinken kan. De Bondgenoot die het licht heeft geroepen om in te leven, en grond onder de voeten geeft om op te leven.
Het antwoord van God is d?t Hij antwoordt, dat in ons leven, Zijn Stem klinkt, ‘Ik ben erbij, bij jou’, Ik ben jou Bondgenoot in alles wat je overkomt’.
Dat is onze kracht om staande te blijven in ons leven, om temidden van de vele vragen steeds weer op te staan.
Amen

