Themadienst: Het leven is liturgie, (Romeinen 12: 1- 8)
- Gegevens
Laatst bijgewerkt op zaterdag 13 september 2008 13:06
Brieflezing: Romeinen 12: 1 – 8,
Thema: Het leven is liturgie
Vandaag dus over de brieflezing die vandaag op het leesrooster staat: de brief van Paulus aan de Romeinen 12: 1-8.
Eerlijk gezegd, ben – of was – ik niet zo ‘van Paulus’, vanwege zijn lange, soms ingewikkelde zinnen en al die dogmatische thema’s die hij bespreekt en uiteraard vanwege zijn vrouw-onvriendelijke teksten.
Weerstand die, en dat moet ik direct bekennen, vooral op onbekendheid en vooroordelen zijn gebaseerd.
Want als je wat meer leest over Paulus dan blijkt dat het bij Paulus allemaal veel genuanceerder is dan op het eerste gehoor lijkt.
Wat we als eerste moeten bedenken bij Paulus en ook bij zijn collega briefschrijvers zoals Jacobus of Johannes, is dat zij schrijven in een hele specifieke situatie en context, vaak naar een bepaalde gemeente met bepaalde vragen of problemen.
Paulus zal zich waarschijnlijk nooit bedacht hebben dat zijn brieven 20 eeuwen later nog gelezen zouden worden,
en dat op zijn woorden zelfs hele dogmatische leerstelsels gebaseerd zouden zijn die dikke boeken vullen en soms heftige theologische discussies oproepen.
Paulus schrijft zijn brieven aan de verschillende christengemeenten van die tijd vanwege een bepaald belang, een bepaalde vraag of conflict dat in die gemeente leeft.
Daarom schrijft hij bijvoorbeeld dat vrouwen hun man onderdanig moeten zijn en moeten zwijgen in de gemeente.
Omdat het hem verstandig leek om in die roerige tijd van overheersing door de Romeinen,
bij wie mannen het voor het zeggen hadden en vrouwen als bezit werden gezien,
om geen aanstoot of ergernis te geven bij de Romeinse overheersers.
De christelijke gemeente vormden een minderheid te midden van een meer of minder vijandige omgeving en kregen steeds meer last van pesterijen, bedreigingen en vervolging.
En ze leefden in de verwachting van de spoedige wederkomst van Christus.
In die context moet je bepaalde teksten lezen: als een oproep om in de vijandige omgeving waarin men leefde geen onnodige aanstoot te geven.
Daarom roept Paulus vrouwen op te zwijgen in de gemeente en onderdanig te zijn aan hun man.
Een oproep die niet nodig zou zijn geweest als het niet heel gewoon was dat vrouwen wél een belangrijke rol speelden in de christelijke gemeenten.
Maar om geen onnodige energie te hoeven besteden aan vervolging vanwege dergelijke zaken die niet de kern van het christelijk geloof vormden,
en die minder belangrijk waren gezien de korte tijd die nog restte vanwege de verwachting van de spoedige wederkomst van Christus,
daarom was het beter je als gemeente maar aan te passen aan de niet-christelijke omgeving.
Om zo, zoveel mogelijk de rust en de vrede te bewaren.
Maar dat geeft al aan dat we deze voorschriften van Paulus dus niet over 20 eeuwen heen moeten tillen als een principiële uitspraak over de plaats van vrouwen in gezin en kerkelijk gemeente.
Ook de brief die Paulus schrijft aan de Romeinen heeft een concreet belang:
Paulus is nog niet bij in Rome geweest als hij deze brief schrijft en kent dus de gemeente nog niet.
Hij wil de gemeente in Rome bezoeken en daarna verder trekken naar Spanje.
Met deze brief introduceert Paulus zich bij de gemeente en hoopt zijn ideeën zo te kunnen presenteren dat men hem in Rome gunstig zal ontvangen en hem daarna zal steunen en een thuishaven voor hem kan zijn als hij verder trekt naar Spanje.
Een belangrijk thema in de Romeinenbrief is de verhouding tussen joden en christenen.
De Romeinse keizer, Claudius, heeft in 50 na Christus een groot deel van de Joden uit de hoofdstad Rome verbannen en dat moet een groot effect op de christelijke gemeente hebben gehad die voor een groot deel uit joodse christenen zal hebben bestaan.
Paulus beklemtoond dat wat betreft joden en grieken geen van beide groepen beter is dan de andere.
Blijkbaar was de eenheid van de gemeente in gevaar en dat is mede de aanleiding voor Paulus z’n betoog.
Paulus gebruikt allerlei motieven om het leven van de gemeente in Christus te beschrijven als een leven uit geloof, een nieuw leven gekenmerkt door de eenheid van Jood en Griek.
Niet het al of niet Jood zijn is belangrijk om bij het volk van God te horen, maar het feit of je gelooft in Jezus Christus, dat is bepalend, je wordt gerechtvaardigd door je geloof.
Of zoals Paulus eigenlijk als motto voor deze Romeinenbrief schrijft in hoofdstuk 1,:
‘het evangelie is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken’ en ‘de rechtvaardige zal leven door geloof’.
Dit motto werkt Paulus uit met name t/m hoofdstuk 11.
En vanaf hoofdstuk 12 trekt hij daaruit de consequenties en geeft praktische instructies voor het leven van iedere dag.
En daarvan hebben wij de eerste verzen gelezen.
En wat we dan direct al in vers 1 horen is, aldus Paulus, dat het leven van iedere dag, ons doen en laten als christenen, onze ethiek zijn grond vind in de barmhartigheid en genadegaven van God.
‘Broeders en zusters, met een beroep op de Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u’.
Wij hebben denk ik, en dat is één van die vooroordelen waar ik over sprak, de neiging om Paulus nogal een moralist te vinden.
Iemand die met opgeheven vingertje ons wel eens even zal zeggen hoe het moet.
In de vorige NBG vertaling stond hier in het eerste vers ook ‘Ik vermaan u’,
en daar houden wij niet zo van, vermaand te worden.
Dat paste misschien toen in Paulus z’n tijd, maar nu voor ons moderne mensen die gesteld zijn op onze eigen verantwoordelijkheid en vrijheid niet meer.
De Nieuwe Bijbelvertaling klinkt een stuk milder met ‘vraag ik u’, maar dat is juist eigenlijk weer veel te zuinig vertaald:
er klinkt zeker een oproep in Paulus z’n woorden, een aansporing.
En het is een aansporing, misschien is het eigenlijk nog mooier om te zeggen een uitnodiging, om te leven vanuit dat wat ons van Godswege gegeven is.
‘Met een beroep op Gods barmhartigheid’, schrijft Paulus.
Dat is de grond voor zijn woorden, zijn oproep.
Gods barmhartigheid voor ons, dat is de krachtbron waaruit wij mogen leven, de bron waaruit wij kunnen putten om ons leven iedere dag weer vorm te geven.
Dat is eigenlijk de rode draad door heel de Romeinenbrief, dat God ons leven geeft, en steeds weer ons leven vernieuwt, dat God ons liefheeft en liefde geeft.
Barmhartig, uit genade, zomaar, om niet wordt het ons gegeven, omdat in Christus het nieuwe leven al begonnen is.
En wie gelooft in Christus, mag dat nieuwe leven ontvangen.
Leven is dan ook ‘ontvangen’, een geschenk,
Zoals ouders hun kind ervaren als geschenk, maar zo mag je dus ook je eigen leven zien.
Een geschenk, wie jij bent met alles wat je in je hebt,
een geschenk van vrijheid, ruimte, steeds weer een nieuwe dag, mensen om je heen om mée te leven.
En als we dat beseffen, als je dat zo kunt ervaren, dat zullen we ontdekken dat leven ook ‘geven’ is.
Dat het steeds meer vanzelfsprekend wordt om te geven, dóor te geven van dat wat je ontvangen hebt.
Geven niet omdat het moet, maar omdat je niet anders kunt.
Zoals ouders voor hun kinderen doen, niet omdat het moet, ook niet omdat het altijd leuk is, maar als vanzelfsprekendheid die je liefdevol doet.
Van vieze luiers verschonen tot midden in de nacht ze ophalen van een feestje, of met een open deur en raad en daad ze bijstaan ook al maken ze andere keuzes dan jij graag zou zien.
Geven, als vanzelfsprekendheid.
Zoals iemand die zich op allerlei manieren inzet voor de medemens dat vanzelfsprekend vindt en blijmoedig afdoet met ‘ach wie veel gegeven is, wordt veel gevraagd’.
Geven, levend vanuit een geheim, vanuit het besef dat leven een geschenk is dat je niet voor jezelf alleen mag houden, leven vanuit innerlijke rijkdom en vrijheid in verantwoordelijkheid.
Dat is de ware eredienst zegt Paulus, putten en leven vanuit de bron van Gods barmhartigheid,
dienst die God werkelijk eer doet want zijn geschenk van leven en liefde eer aan doet.
De ware, echte eredienst is niet alleen het samenkomen op zondag, rond de bijbel, het samen vieren, zingen, bidden, het ervaren van de gemeenschap.
Daar kan het niet zonder, in de kerk of in andere momenten van samenkomen, gesprek of vieren, daar mogen we ons laven aan de Bron van Gods liefde,
worden we geïnspireerd, opgebouwd, kunnen we elkaar steeds weer vertellen over Gods liefde en barmhartigheid, elkaar bemoedigen.
Maar die eredienst is niet compleet als het niet een vervolg heeft en als het niet concreet vorm krijgt in het leven van elke dag.
Geloven en handelen vormen een eenheid, je kunt niet christelijke geloven zonder christelijk te leven.
Liturgie, eredienst gebeurt op straat waar het woord, de boodschap van het evangelie steeds weer vlees wordt, zichtbaar wordt en gestalte krijgt,
zo wordt het lichaam van Christus werkelijkheid in het leven van alledag.
Zo is leven liturgie, eredienst voor God.
Dus midden in het leven en in de wereld, daarin mogen, ‘moeten’, we staan en leven vanuit de bron van Gods barmhartigheid die ons gegeven is.
Er zijn christelijke stromingen die liever afstand houden van de wereld, zich afzonderen, misschien wel vanwege de uitspraak die Paulus hier ook doet.
‘U moet u niet aanpassen aan de wereld’, dat staat in onze vertaling, in de vorige vertaling stond: ‘wordt niet gelijkvormig aan deze wereld’.
Maar dat betekent niet dat we ons uit de wereld terug moeten trekken, immers juist daar zijn wij geroepen lichaam van Christus te zijn.
‘Niet aanpassen aan de wereld’ betekent : niet denken en leven vanuit het schema van de wereld waar dat het rijk van God tegenspreekt.
Waar egoïsme heerst, wantrouwen, concurrentiestrijd en elkaar opjagen, ongastvrijheid.
Maar, zoals Paulus zegt, vernieuwd, het anders, nieuw doen, zoals het past volgens de wil van God, zijn gave van barmhartigheid,
barmhartigheid leven, midden in het leven, de wereld die ons gegeven is.
Zo zijn wij lichaam van Christus, ieder op onze eigen plek in het leven, met jouw mogelijkheden en talenten.
Paulus noemt een aantal voorbeelden en gebruikt daarbij in plaats van het woord talent, het woord ‘gave’.
Dat is eigenlijk een mooier, gevulder woord, daar klinkt in door dat het je gegeven is, jouw mogelijkheden, talenten, als een geschenk, ontvangen om door te geven.
Waar wij zo samen, ieder met zijn of haar gaven, het leven vieren, iedere dag opnieuw, daar wordt het lichaam van Christus, Gods liefde, zichtbaar in de wereld.

