Lezing Oude Testament Exodus 23: 1 - 17

Evangelielezing: Johannes 17: 1 – 8,          

 

Vorige week hebben we de Tien Geboden, of Tien Woorden gehoord uit Exodus 20.

De kinderen hebben de belangrijkste woorden op stenen geschreven voor de kijkdoos.

Het zijn hele bekende, je mag misschien zelfs wel zeggen: beroemde woorden, die toch bijna iedereen, bijna iedere wereldburger wel kent.

Misschien niet om zo alle tien op te kunnen noemen, maar een paar vast wel, en zeker als begrip: ‘de Tien geboden’.

En Exodus 20 is een bekend en in de kerk veel gelezen hoofdstuk, zeker nog in de tijd dat iedere kerkdienst de Tien Geboden werden gelezen.

Het is de kern, het hoogtepunt van de eerste vijf Bijbelboeken, door joden de Tora, Wet genoemd.

 

Daarna volgt een aantal hoofdstukken met allerlei kleine geboden, over allerlei onderwerpen, die willekeurig door elkaar lijken te staan, allerlei details over, voor je gevoel, kleine zaken.

Wat te doen als je iets verbrandt en het vuur slaat over op een korenakker van een buurman.

Als iemand door jou gewond raakt, of het dier dat je leent of je slaaf,

dat je geen rente mag vragen, geen laster spreken, als een ezel te zwaar beladen is tot en met het drie keer per jaar feest vieren.

Wij hebben een aantal van die kleinere geboden en regels gelezen in hoofdstuk 23.

Wat hebben al die verschillende geboden en woorden met elkaar te maken?

Voor je gevoel zit er geen verband tussen en zijn ze ook wel heel erg tijd bepaald, passend in de samenleving toen.

 

Wat je ervan kunt zeggen is dat al die kleine geboden concrete uitwerkingen zijn van de Tien Geboden, de Tien Woorden die God heeft gegeven.

Ze laten zien dat de Tien Geboden heel direct te maken hebben met het praktische, dagelijkse leven.

De Tien Geboden zijn geen theoretisch, mooi utopisch toekomstbeeld hoe het ooit in de toekomst in Gods Rijk zal zijn,

het is niet alleen voor een kleine religieuze groep Gods getrouwen.

De grote hoofdlijn van de Tien Geboden is voor iedereen, voor hier en nu, voor het gewone leven van iedere dag.

Heel praktisch, heel concreet.

Met als centrale hoofdgedachte:

‘Ik, God, Ik ben jullie Bevrijder, blijf bij je Bevrijder, verspeel je vrijheid niet en gun elkaar vrijheid’.

Dat appèl, die opdracht is bedoeld om door te dringen in alle lagen, en in alle gebieden van het leven.

 

Vanuit het hoofdstuk dat wij vanmorgen hebben gelezen gaat het dan over:

Hoe je met elkaar omgaat, hoe je met dieren omgaat, met je vijand, met vreemdelingen, met het land na de oogst.

Dat je eerlijk moet blijven en het goede doen, je niet door de meerderheid laten overhalen om onrecht of onrechtvaardigheid te doen of steekpenningen aan te nemen.

Allerlei concrete aanwijzingen die je kunt samenvatten als: het gaat om recht en gerechtigheid, een rechtvaardige samenleving.

Dé rode lijn in de Bijbel, vanaf het begin.

Dat was al de reden waarom Abraham werd geroepen door God om op weg te gaan: “omdat hij en zijn zonen de weg moeten volgen die Ik wijs door recht en rechtvaardigheid te doen”.

 

Gerechtigheid is één van de belangrijkste woorden in de Bijbel.

Gerechtigheid is objectief, niets voor niets heeft Vrouw Justitia een blinddoek voor als symbool voor onpartijdigheid.

‘Iemand die arm is mag je in een rechtszaak niet bevoordelen’, zegt onze lezing vandaag.

Tegelijk weten we dat God juist ook de helper wil zijn voor wie geen helper heeft, de armen, de wees en weduwe, de vreemdeling.

Gerechtigheid kan genade of straf betekenen, maar het is in de Bijbel nooit strikte, zwart-wit gerechtigheid, het is altijd met mededogen en medemenselijkheid.

Daarom kun je je misschien afvragen of, in deze coronatijd, een boete van 4 x 400 euro voor 2 echtparen, ouders en kinderen, die buiten keurig anderhalve meter uit elkaar een gebakje zitten te eten, of die boete nou wel echt nodig was.

En als groter voorbeeld: daarom is in de meeste landen ook bij een levenslang gestrafte er altijd een mogelijkheid voor gratieverlening.

 

Het is teveel om alle regels die we gelezen hebben te noemen, maar een paar springen eruit en zijn veelzeggend.

Over de ezel van je vijand of van iemand die je haat,

als die ezel verdwaald of weggelopen is, of zijn last niet meer kan tillen, dan mag je niet toekijken en denken ‘daar heb ik niets mee te maken, met die ezel van de akelige vent’.

Dan moet je de ezel terugbrengen, direct.

Of, als het dier te zwaar beladen is, meteen gaan helpen.

Dit voorbeeld zegt ons twee dingen:

Allereerst gaat het over dierenliefde, je laat een dier niet onnodig lijden, ook niet als je ruzie hebt met z’n eigenaar, het dier is immers onschuldig.

En als tweede: je vijand of degene met wie je ruzie hebt, is ook een mens.

Vijandschap, conflict kan je verdelen, maar er is altijd iets diepers dat ons met elkaar verbindt: solidariteit, menselijkheid.

Gevaar of een noodgeval overstijgt de verschillen en vijandschap.

Vers 5 zegt in onze vertaling: ‘je mag niet werkeloos toezien’, maar eigenlijk staat er: ‘weerhoudt jezelf niet, laat je niet weerhouden’ door negatieve gevoelens, laat die los, stap erover heen om te gaan helpen waar dat nodig is of wie dat nodig heeft.

 

De Tora, de joodse wet vraagt niet, zoals Jezus, om je vijand lief te hebben, dat kan soms echt te veel gevraagd zijn.

Maar wel om hem of haar te helpen als dat nodig is,

en soms kan dat de haat en de vijandschap doen verdwijnen.

Rutger Bregman beschrijft in zijn boek: ‘De meeste mensen deugen’ over een sociaal experiment van een groep 11-jarige jongens op vakantiekamp die elkaar niet kennen.

Ze worden in 2 groepen verdeeld, en als een wedstrijd tegen elkaar spelen gaan ze ruzie maken, vechten en schelden, elkaars spullen vernielen.  

Maar als beide groepen geconfronteerd worden met problemen die ze alleen met elkaar kunnen oplossen, dan gaan ze elkaar helpen en verdwijnt de vijandschap,

delen ze zelfs eten en drinken met elkaar.

Elkaar helpen, contact met elkaar maken en elkaar leren kennen, dan ga je elkaar zien als mens, dat kan haat en vijandschap, vooroordelen doen verdwijnen.

In plaatsen waar geen asielzoekers wonen is de weerstand ertegen vaak het grootst.

Terwijl weerstand vaak verdwijnt als er een aantal maanden is samengeleefd en het halve dorp verdrietig is als het asielzoekerscentrum weer wordt opgeheven.

 

De Bijbellezing gaat verder over: de rechten van de armen eerbiedigen, de vreemdeling niet uitbuiten, want: jullie weten immers hoe het is en voelt om vreemdeling te zijn, toen jullie zelf in Egypte waren.

Armen, vreemdelingen, het zijn mensen zoals jij, zegt de Bijbel.

Misschien anders, maar allemaal mensen naar Gods beeld.

En juist naar degenen die kwetsbaar zijn, in de verdrukking zitten, daar gaat Gods aandacht naar uit, God beschermt wie geen helper heeft, die niet worden gehoord.

En daarin klinkt de oproep aan ons om te helpen wie geen helper heeft, wie hulp nodig heeft.

 

De tekst gaat verder over het 7e jaar waarin een land onbebouwd moet blijven, alleen de armen mogen er nog van eten, wat is blijven liggen of toch groeit.

En de 7e dag waarop wijzelf mogen rusten, zoals ook de dieren, de slaven en de vreemdelingen.

Het land, wij mogen, ja moeten af en toe op adem komen.

We zijn niet bedoeld om altijd maar te werken, om alles uit het leven en uit het land te halen wat er in zit, er is een grens:

geen 24-uurs economie, we moeten van ophouden weten, anders raak je je vrijheid kwijt.

 

Dat is wat al die grote en kleine geboden en regels van God ons willen zeggen en toe willen oproepen:

om de vrijheid die God de Bevrijder ons geeft vast te houden, om niet opnieuw slaaf te worden van je werk, van geld verdienen, zoveel mogelijk spullen of reizen.

Om niet anderen, dieren, de wereld uit te buiten en dienstbaar aan onze wensen te laten zijn.

En als we zo leven en met elkaar omgaan, dat kan ieder mens leven in vrijheid en wordt het leven goed.

Daarom klinkt ook de oproep om feest te vieren, drie keer per jaar.

Om de uittocht uit Egypte, om vrijheid te vieren, verwondering over de eerste opbrengst en dankbaarheid over de oogst en over het goede leven dat God ons wil geven en leren.

 

Het is het leven wat Jezus ons heeft wil geven en leren. En nu, na Hemelvaart wordt het in onze handen gelegd, om het leven voor elkaar goed te maken.

Daartoe ontvangen we de geestkracht van God, zoals we dat volgende week met Pinksteren zullen vieren.

Zoals we straks in onze slotlied zullen zingen:

Dat de woorden die we hoorden,

alle dagen vruchten dragen

door uw stille kracht.

Dat de liefde wint

en door zo te leven hier Gods rijk begint.

 

 

Wat je ervan kunt zeggen is dat al die kleine geboden concrete uitwerkingen zijn van de Tien Geboden, de Tien Woorden die God heeft gegeven.

Ze laten zien dat de Tien Geboden heel direct te maken hebben met het praktische, dagelijkse leven.

De Tien Geboden zijn geen theoretisch, mooi utopisch toekomstbeeld hoe het ooit in de toekomst in Gods Rijk zal zijn,

het is niet alleen voor een kleine religieuze groep Gods getrouwen.

De grote hoofdlijn van de Tien Geboden is voor iedereen, voor hier en nu, voor het gewone leven van iedere dag.

Heel praktisch, heel concreet.

Met als centrale hoofdgedachte:

‘Ik, God, Ik ben jullie Bevrijder, blijf bij je Bevrijder, verspeel je vrijheid niet en gun elkaar vrijheid’.

Dat appèl, die opdracht is bedoeld om door te dringen in alle lagen, en in alle gebieden van het leven.

 

Vanuit het hoofdstuk dat wij vanmorgen hebben gelezen gaat het dan over:

Hoe je met elkaar omgaat, hoe je met dieren omgaat, met je vijand, met vreemdelingen, met het land na de oogst.

Dat je eerlijk moet blijven en het goede doen, je niet door de meerderheid laten overhalen om onrecht of onrechtvaardigheid te doen of steekpenningen aan te nemen.

Allerlei concrete aanwijzingen die je kunt samenvatten als: het gaat om recht en gerechtigheid, een rechtvaardige samenleving.

Dé rode lijn in de Bijbel, vanaf het begin.

Dat was al de reden waarom Abraham werd geroepen door God om op weg te gaan: “omdat hij en zijn zonen de weg moeten volgen die Ik wijs door recht en rechtvaardigheid te doen”.

 

Gerechtigheid is één van de belangrijkste woorden in de Bijbel.

Gerechtigheid is objectief, niets voor niets heeft Vrouw Justitia een blinddoek voor als symbool voor onpartijdigheid.

‘Iemand die arm is mag je in een rechtszaak niet bevoordelen’, zegt onze lezing vandaag.

Tegelijk weten we dat God juist ook de helper wil zijn voor wie geen helper heeft, de armen, de wees en weduwe, de vreemdeling.

Gerechtigheid kan genade of straf betekenen, maar het is in de Bijbel nooit strikte, zwart-wit gerechtigheid, het is altijd met mededogen en medemenselijkheid.

Daarom kun je je misschien afvragen of, in deze coronatijd, een boete van 4 x 400 euro voor 2 echtparen, ouders en kinderen, die buiten keurig anderhalve meter uit elkaar een gebakje zitten te eten, of die boete nou wel echt nodig was.

En als groter voorbeeld: daarom is in de meeste landen ook bij een levenslang gestrafte er altijd een mogelijkheid voor gratieverlening.

 

Het is teveel om alle regels die we gelezen hebben te noemen, maar een paar springen eruit en zijn veelzeggend.

Over de ezel van je vijand of van iemand die je haat,

als die ezel verdwaald of weggelopen is, of zijn last niet meer kan tillen, dan mag je niet toekijken en denken ‘daar heb ik niets mee te maken, met die ezel van de akelige vent’.

Dan moet je de ezel terugbrengen, direct.

Of, als het dier te zwaar beladen is, meteen gaan helpen.

Dit voorbeeld zegt ons twee dingen:

Allereerst gaat het over dierenliefde, je laat een dier niet onnodig lijden, ook niet als je ruzie hebt met z’n eigenaar, het dier is immers onschuldig.

En als tweede: je vijand of degene met wie je ruzie hebt, is ook een mens.

Vijandschap, conflict kan je verdelen, maar er is altijd iets diepers dat ons met elkaar verbindt: solidariteit, menselijkheid.

Gevaar of een noodgeval overstijgt de verschillen en vijandschap.

Vers 5 zegt in onze vertaling: ‘je mag niet werkeloos toezien’, maar eigenlijk staat er: ‘weerhoudt jezelf niet, laat je niet weerhouden’ door negatieve gevoelens, laat die los, stap erover heen om te gaan helpen waar dat nodig is of wie dat nodig heeft.

 

De Tora, de joodse wet vraagt niet, zoals Jezus, om je vijand lief te hebben, dat kan soms echt te veel gevraagd zijn.

Maar wel om hem of haar te helpen als dat nodig is,

en soms kan dat de haat en de vijandschap doen verdwijnen.

Rutger Bregman beschrijft in zijn boek: ‘De meeste mensen deugen’ over een sociaal experiment van een groep 11-jarige jongens op vakantiekamp die elkaar niet kennen.

Ze worden in 2 groepen verdeeld, en als een wedstrijd tegen elkaar spelen gaan ze ruzie maken, vechten en schelden, elkaars spullen vernielen.  

Maar als beide groepen geconfronteerd worden met problemen die ze alleen met elkaar kunnen oplossen, dan gaan ze elkaar helpen en verdwijnt de vijandschap,

delen ze zelfs eten en drinken met elkaar.

Elkaar helpen, contact met elkaar maken en elkaar leren kennen, dan ga je elkaar zien als mens, dat kan haat en vijandschap, vooroordelen doen verdwijnen.

In plaatsen waar geen asielzoekers wonen is de weerstand ertegen vaak het grootst.

Terwijl weerstand vaak verdwijnt als er een aantal maanden is samengeleefd en het halve dorp verdrietig is als het asielzoekerscentrum weer wordt opgeheven.

 

De Bijbellezing gaat verder over: de rechten van de armen eerbiedigen, de vreemdeling niet uitbuiten, want: jullie weten immers hoe het is en voelt om vreemdeling te zijn, toen jullie zelf in Egypte waren.

Armen, vreemdelingen, het zijn mensen zoals jij, zegt de Bijbel.

Misschien anders, maar allemaal mensen naar Gods beeld.

En juist naar degenen die kwetsbaar zijn, in de verdrukking zitten, daar gaat Gods aandacht naar uit, God beschermt wie geen helper heeft, die niet worden gehoord.

En daarin klinkt de oproep aan ons om te helpen wie geen helper heeft, wie hulp nodig heeft.

 

De tekst gaat verder over het 7e jaar waarin een land onbebouwd moet blijven, alleen de armen mogen er nog van eten, wat is blijven liggen of toch groeit.

En de 7e dag waarop wijzelf mogen rusten, zoals ook de dieren, de slaven en de vreemdelingen.

Het land, wij mogen, ja moeten af en toe op adem komen.

We zijn niet bedoeld om altijd maar te werken, om alles uit het leven en uit het land te halen wat er in zit, er is een grens:

geen 24-uurs economie, we moeten van ophouden weten, anders raak je je vrijheid kwijt.

 

Dat is wat al die grote en kleine geboden en regels van God ons willen zeggen en toe willen oproepen:

om de vrijheid die God de Bevrijder ons geeft vast te houden, om niet opnieuw slaaf te worden van je werk, van geld verdienen, zoveel mogelijk spullen of reizen.

Om niet anderen, dieren, de wereld uit te buiten en dienstbaar aan onze wensen te laten zijn.

En als we zo leven en met elkaar omgaan, dat kan ieder mens leven in vrijheid en wordt het leven goed.

Daarom klinkt ook de oproep om feest te vieren, drie keer per jaar.

Om de uittocht uit Egypte, om vrijheid te vieren, verwondering over de eerste opbrengst en dankbaarheid over de oogst en over het goede leven dat God ons wil geven en leren.

 

Het is het leven wat Jezus ons heeft wil geven en leren. En nu, na Hemelvaart wordt het in onze handen gelegd, om het leven voor elkaar goed te maken.

Daartoe ontvangen we de geestkracht van God, zoals we dat volgende week met Pinksteren zullen vieren.

Zoals we straks in onze slotlied zullen zingen:

Dat de woorden die we hoorden,

alle dagen vruchten dragen

door uw stille kracht.

Dat de liefde wint

en door zo te leven hier Gods rijk begint.

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 12 Juli om 10:00 uur in De Toevlucht,

Informatie bij deze dienst:
Orde van dienst zie hierboven bij Laatste Nieuws

Voorganger: Mw. M. Griffioen